DeNieuweCroniek
WETENSCHAP IN BEELD
Goeie buurtjes
WETENSCHAP IN BEELD
Wie regelmatig in de tuin staat, herkent het misschien: sommige planten doen het opvallend goed naast elkaar, terwijl andere combinaties blijven kwakkelen. Dat heeft niet alleen te maken met licht, water of voeding. Steeds duidelijker wordt dat planten elkaar actief beïnvloeden — boven én onder de grond.
Boven de grond communiceren planten vooral via geurstoffen. Een bekend voorbeeld is de typische geur van tomatenplanten wanneer je ze aanraakt. Die geur bestaat uit vluchtige stoffen die niet alleen voor ons waarneembaar zijn, maar ook informatie dragen voor andere planten en insecten. Wanneer een plant wordt aangevreten, verandert dat geurprofiel. Naburige planten kunnen deze stoffen oppikken en alvast hun afweermechanismen activeren, nog vóór ze zelf schade oplopen. Tegelijk trekken diezelfde geurstoffen natuurlijke vijanden van de belagers aan, zoals sluipwespen. Wat begint als schade, wordt zo onderdeel van een groter verdedigingssysteem.
Onder de grond is die communicatie minder zichtbaar, maar minstens zo belangrijk. Plantenwortels scheiden allerlei stoffen uit in de bodem: suikers, zuren en signaalmoleculen die bepalen welke bacteriën en schimmels zich rond de wortels vestigen. Zo ontstaat per plant een eigen micro-omgeving, waarin gunstige micro-organismen worden aangetrokken en ziekteverwekkers juist worden geremd.
Een centrale rol daarin is weggelegd voor schimmels. Mycorrhiza-schimmels vormen fijne netwerken die meerdere planten met elkaar kunnen verbinden. Via deze netwerken worden water, voedingsstoffen en ook stresssignalen doorgegeven. Uit experimenten blijkt dat wanneer één plant wordt aangevallen, verbonden buurplanten sneller hun afweer activeren dan planten zonder zo’n verbinding. Dat soort schimmelnetwerken hebben tijd nodig om te groeien. Ze bouwen zich langzaam op en worden telkens weer afgebroken wanneer de bodem intensief wordt verstoord.
Die samenwerking is bovendien niet vrijblijvend. Een goed onderzocht voorbeeld is de opname van fosfaat. Meer dan 80% van alle landplanten werkt samen met mycorrhiza-schimmels om fosfaat uit de bodem te halen. De schimmel dringt de wortel binnen en levert fosfaat rechtstreeks af in ruil voor suikers. Opvallend is dat planten deze samenwerking zelf reguleren: bij een tekort stimuleren ze de schimmel, maar bij een overschot — bijvoorbeeld door bemesting — remmen ze de samenwerking af. Samenwerken kost namelijk ook energie.
Voor tuiniers betekent dit dat een levende bodem en terughoudendheid met kunstmest de ondergrondse samenwerking juist versterken.
Voor de tuinpraktijk heeft dit duidelijke gevolgen. Samenwerking tussen planten werkt vooral goed in bodems die rustig en ongestoord zijn. Veel spitten, frezen of kale grond betekent dat ondergrondse verbindingen steeds opnieuw moeten beginnen. In een diverse tuin, met verschillende plantensoorten en een actief bodemleven, krijgen deze netwerken juist de kans om zich te ontwikkelen en sterker te worden. Dat verklaart ook waarom combinatieteelt vaak beter werkt dan monoculturen, en waarom planten in een levende bodem vaak weerbaarder zijn tegen ziekten en plagen — zonder dat je precies kunt aanwijzen waarom deze plant het beter doet dan die ernaast. Het antwoord zit grotendeels onder de grond, in een netwerk dat je niet ziet, maar waarvan je de effecten wel degelijk merkt.
Wetenschappers proberen deze processen nu beter te begrijpen en meetbaar te maken, onder andere door te kijken naar bodemleven, schimmels en signaalstoffen.
Voor tuiniers betekent dat vooral dit: hoe meer ruimte je laat voor samenwerking onder de grond, hoe minder je boven de grond hoeft te corrigeren. Benieuwd naar het microbioom in jouw bodem? Doe mee aan het ‘Proef je Tuin’ project!